Judith Jelsma is senior onderzoeker bij Amsterdam UMC en projectleider van het Leefstijlloket. Vanuit onderzoek was zij ook betrokken bij de oprichting en evaluatie van het leefstijlloket in het ziekenhuis. Inmiddels zijn er meer dan 30 leefstijlloketten in Nederland, die verbonden zijn in een landelijk leernetwerk waarin kennis en ervaringen worden uitgewisseld.
Lisette Lievense werkt drie dagen per week bij het Leefstijlloket van Amsterdam UMC en heeft daarnaast haar eigen praktijk Lievense Leefstijlcoaching waarin zij onder andere CooL-groepen begeleidt. Als leefstijlcoach, met een achtergrond als IC-verpleegkundige, spreekt zij binnen Amsterdam UMC patiënten die worden doorverwezen door medisch specialisten. Binnen deze functie haalt ze de veranderwens van de patiënt zelf boven en zoekt vervolgens welke passende leefstijlinterventie buiten het ziekenhuis daarbij kan ondersteunen.
In dit interview vertellen Judith en Lisette over de rol van het leefstijlloket, het werken met CooL-varianten en de kracht van homogene groepen binnen passende leefstijlzorg.
Welke rol speelt het Leefstijlloket in het passend verwijzen naar CooL en andere leefstijlinterventies?
Lisette trapt af: “Wij kijken naar wat iemand wil en wat bij iemand past. We krijgen patiënten doorverwezen vanuit alle medisch specialistische afdelingen; bijvoorbeeld vanuit de cardiologie, interne geneeskunde, MDL of gynaecologie. Vaak is er al wel een vraag van de medisch specialist, bijvoorbeeld stoppen met roken of gewichtsreductie, maar wij gaan altijd een open gesprek aan om te kijken wat de veranderwens van de patiënt is wat betreft zijn leefstijl.
We zoeken vanuit het leefstijlloket naar passend aanbod in de regio. We hebben vervolgens contact met de aanbieder, om een warme overdracht te kunnen geven. Dan hebben ze al meer achtergrondinformatie over de patiënt, waardoor de kans van slagen in het veranderen van de leefstijl vergroot wordt in plaats van dat je gewoon doorverwijst en hoopt dat het goed komt.”
Judith beaamt dat het leefstijlloket daarmee een belangrijke rol heeft in het motiveren, informeren en juist doorverwijzen van de patiënt. Maar die rol gaat verder: “We leveren de zorg met elkaar: vanuit het ziekenhuis maar ook vanuit de regio. Als er iets is, kan er teruggeschakeld worden en met elkaar overlegd worden hoe daar het beste mee om te gaan. Dat heeft uiteindelijk voor de patiënt veel meerwaarde.”
Wat betekent het landelijke leernetwerk van Leefstijlloketten voor het onder de aandacht brengen van CooL-varianten?
Judith ziet hier veel potentie: “De afgelopen jaren hebben steeds meer ziekenhuizen een leefstijlloket opgericht. Op dit moment zijn er meer dan 30 ziekenhuizen met een leefstijlloket.
Al deze leefstijlloketten zijn inmiddels verbonden in een landelijk leernetwerk, waarin we informatie en ervaringen uit kunnen wisselen. Dit leernetwerk is ook een mooie plek om nieuwe interventies of varianten onder de aandacht te brengen. Als wij er niet vanaf weten, kunnen we ook niet verwijzen.”
Hoe kijken jullie naar CooL als open interventie met ruimte voor varianten?
Lisette spreekt uit ervaring: “Ik denk dat het heel goed is, omdat je dan veel herkenning hebt. Wanneer mensen de herkenning en verbinding voelen, werkt dat heel motiverend. Je hebt heel veel steun aan elkaar, dus ik denk dat dat een hele mooie manier is. Het nadeel is wel, dat het soms lastiger is om homogene groepen vol te krijgen.”
Judith ziet voordelen voor zowel de patiënt als het leefstijlloket: “Voor het Leefstijlloket is het heel mooi dat je meerdere opties kan aanbieden: het reguliere traject, maar ook een specifieke interventie. De patiënt kan dan zelf de afweging maken wat het meest passend is, waarbij ook meegenomen kan worden dat een specifieke interventie misschien wat later start omdat de groep eerst vol moet zijn.”
Wat is de kracht van werken met homogene groepen?
Zowel Judith als Lisette benadrukken dat werken met homogene groepen een pré is. Judith: “Soms kunnen deelnemers in een groep variëren van iemand van twintig tot iemand van zestig. Als je bijvoorbeeld een groep zwangeren hebt, dan zit iedereen in dezelfde levensfase, waardoor er onderling meer herkenning is.
Juist in zo’n groep kan je veel aan elkaar hebben om gedragsverandering in gang te zetten. Dat men tussen bijeenkomsten afspreekt om bijvoorbeeld samen te gaan wandelen. Dat doe je gauw met iemand waarmee je een klik hebt. Die social support kan heel erg belangrijk zijn.”
Lisette vult aan: “In reguliere groepen kunnen bijvoorbeeld de leeftijden of achtergronden zo divers zijn dat de connectie niet helemaal ontstaat. De interesses van de deelnemers zijn anders. De manier van denken is anders. De verbinding kan dan minder zijn.”
Wat betekent werken met specifieke doelgroepen of specialisaties voor de kwaliteit van leefstijlcoaching?
Vanuit haar functie als leefstijlcoach heeft Lisette hier een duidelijke mening over: “Als je als leefstijlcoach je heel specifiek op één doelgroep richt dan heb je daar ook meer kennis van. Dus ik denk dat dat voor de kwaliteit wel een voordeel is. Bijvoorbeeld als je zegt: ik ga vrouwen in de overgang begeleiden, dan ga je je daar verder in specialiseren en dan bied je meer kwaliteit voor deze specifieke groep.”
Judith kijkt met de bril van projectleider: “De andere kant is dat leefstijl ook heel generiek is. Het is niet zo dat men niet bij een gewone CooL-groep of andere GLI kan instromen, omdat daar geen expertise zou zitten. Doordat je beide opties aanbiedt, kan je heel erg inspelen op wat de patiënt nodig heeft en wil. Passende zorg is kijken wat de deelnemer nodig heeft en daarnaar verwijzen.”
Hoe zien jullie zorg op maat binnen CooL?
Judith herhaalt: “Voor mij is passende zorg kijken wat de patiënt nodig heeft en dan doorverwijzen naar de juiste interventie die op dat moment het meest geschikt is. In een GLI kan je het passender maken door specifiek in te zoomen op wat een groep nodig heeft. Bijvoorbeeld extra kennisoverdracht of een spreker die gespecialiseerd is in dat onderwerp uitnodigen voor een extra sessie.”
Lisette voegt daaraan toe: “Ik ben van mening dat het grootste gedeelte toch echt gedragsverandering is. Dan maakt het eigenlijk niet zo heel veel uit wat je hebt maar meer hoe ga je je gedrag veranderen om je leefstijl te verbeteren. Zo geef ik zelf GLI-CooL variant CooL ACT, daar begin je eerst met bewustwording van je automatische piloot en trainen van vaardigheden om anders op ongemak te reageren. Meer volgens je waarden leven en gedrag laten zien in de richting die voor jou belangrijk is, ondanks het ongemak wat je kan ervaren. Daarna ga je aan de slag met de leefstijlthema’s.”
Welke tip hebben jullie voor leefstijlcoaches die met een CooL-variant aan de slag willen?
Judith benadrukt nogmaals: “Als wij er binnen het leefstijlloket niets van weten, kunnen we ook niet verwijzen. Dus op een of andere manier moeten wij weten dat zo’n variant er is. Er zijn laagdrempelig mogelijkheden, bijvoorbeeld door een mailtje te sturen: ik start een groep, ik zoek nog deelnemers. Proactieve samenwerking dus vanuit de CooL-aanbieders richting de leefstijlloketten.”
Lisette vanuit haar rol binnen het leefstijlloket: “Wanneer wij op zoek zijn naar aanbod voor een patiënt, dan zoeken wij meestal contact met aanbieders. Dan leren we elkaar kennen en kunnen we een warme overdracht geven. Dus zoek contact, zodat je elkaar weet te vinden. Wij kijken echt naar wat wil iemand en wat past bij iemand. We geven de patiënt de regie in zijn proces, wat een positief effect heeft op de motivatie. Als het niet passend is, is dat heel demotiverend. Dat is echt zonde.”
CooL-varianten bieden kansen voor meer herkenning, verbinding en maatwerk. Volgens Judith en Lisette begint passende zorg bij goed luisteren en zorgvuldig verwijzen. Door samenwerking tussen Leefstijlloketten en CooL-aanbieders kan binnen de bestaande kaders optimaal worden aangesloten bij wat de deelnemer nodig heeft.


